Rapportage ervaringen Wkb Zeeburgereiland

Op het Zeeburgereiland in Amsterdam heeft De Alliantie in relatief korte tijd zo’n 460 woningen gerealiseerd. Die korte tijd bleek mogelijk door procesafspraken met Stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam en de inzet van een mix van instrumenten. Private kwaliteitsborging door InterConcept is een van de toegepaste instrumenten.

In vervolg op de evaluatie, die in opdracht van het Instituut voor Bouwkwaliteit is uitgevoerd, hebben de projectpartners De Alliantie, Stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam en InterConcept aan LIGTHARTadvies verzocht de leerervaringen met private kwaliteitsborging uit het pilotproject op te halen. Door de projectpartners zijn enkele onderzoeksvragen geformuleerd op basis waarvan interviews zijn gehouden met de bij het pilotproject direct betrokken partijen. De opgehaalde informatie is gegroepeerd rond de thema’s: behaalde winst (proces en bouwkwaliteit), handhaving, rol aannemer, rol kwaliteitsborger en ten slotte leerpunten voor nieuwe pilots.

De belangrijkste bevinding is dat alle partijen positief zijn over het behaalde resultaat en de bijdrage van private kwaliteitsborging als instrument in het proces. Afgezet tegen de doelstellingen van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen: verbetering van de bouwkwaliteit, meer verantwoordelijkheid bij de markt en verbetering van de positie van de opdrachtgever kan worden gesteld dat die doelstellingen in dit pilotproject zijn gerealiseerd. De opdrachtgever wordt met deze werkwijze tijdens het bouwproces beter geïnformeerd en wordt zo in staat gesteld zijn verantwoordelijkheid te nemen als daar aanleiding toe is. In het traditionele proces staat de opdrachtgever min of meer langs de zijlijn en komt pas in beeld bij de oplevering.

In het pilotproject was echter de belangrijkste doelstelling verbetering van het proces en ook daarin is belangrijke winst geboekt. Dat blijkt onder andere uit de tijdwinst mede door de zeer korte doorlooptijd van de vergunningverlening.

De tijdwinst van het project wordt vooral behaald in de voorbereiding tot aan de start van de bouw. De zekerheid over het moment waarop de vergunning wordt verstrekt en de zekerheid dat het bouwplan aan de bouwvoorschriften voldoet maken een goede planning van de voorbereiding mogelijk.
Hoewel niet kan worden vastgesteld dat de bouwkwaliteit is verbeterd is bij de bouwbedrijven het bewustzijn gegroeid dat men verantwoordelijkheid moet nemen voor het eindresultaat. Die transformatie voedt de verwachting dat de bouwkwaliteit zal toenemen. Het afnemende aantal bemerkingen van de kwaliteitsborger en het afnemende aantal opleverpunten in dit pilotproject geven ook die indicatie. De bouwers geven zelf ook aan de leerervaringen uit deze pilot ook al toe te passen in andere projecten.

Vanuit de opdrachtgever wordt het wenselijk geacht dat de gemeente daadwerkelijk handhavend optreedt wanneer de Verklaring wordt onthouden, dat wil zeggen de ingebruikname verbiedt. Er is dan immers een kennelijke afwijking van het Bouwbesluit. De bouwers zullen dat financiële risico niet willen lopen. De Alliantie zal als opdrachtgever sturen op het verkrijgen van een Verklaring en bij het ontbreken ervan niet afnemen. Zover wil De Alliantie het overigens niet laten komen; de opdrachtgever heeft door de rapportages van de kwaliteitsborger een helder zicht op het verloop van het werk en kan hij tijdig interveniëren. Ook dat wordt als belangrijke proceswinst van kwaliteitsborging gezien.

Dat de opdrachtgever zoveel meer informatie heeft over het bouwproces en beter in staat is de kwaliteit en dus ook de bouwer te beoordelen zaal ook repercussies hebben voor de bouwkwaliteit in zijn algemeenheid. Bouwers die niet presteren zullen bij toekomstige aanbestedingen op achterstand staan of zelfs kunnen worden uitgesloten. De Alliantie zal hier zeker rekening mee houden.

Voor volgende projecten is het wenselijk dat meer stakeholders dan in dit pilotproject vroegtijdig worden aangehaakt en in het verloop van het project aangehaakt blijven. Het definiëren van een gemeenschappelijk doel aangevuld met individuele doelen en committment van elk van de deelnemers zou een volgend pilotproject aan effectiviteitwinst opleveren.

Lees hier de volledige rapportage

Vragen & opmerkingen Eerste Kamer Wkb

Na meerdere keren uitstel heeft de Eerste Kamer op 9 maart 2019 de behandeling van de Wet kwaliteitsborging hervat door het stellen van schriftelijke vragen aan minister Ollongren van BZK (Klik hier voor de brief). De behandeling van het wetsvoorstel lag – op verzoek van de toenmalige minister van BZK – stil sinds 11 juli 2017. De vragen van de Eerste Kamer hebben betrekking op de aanvullende brief in de brief van Ollongren van 28 juni 2018 en het bestuursakkoord tussen VNG en BZK dat op 17 januari 2019 aan de Eerste Kamer is verzonden. In de vragen heeft de Eerste Kamer ook alle overige correspondentie (gehele lijst is hier te zien) van de afgelopen tijd meegenomen.

De vragen hebben voor een groot deel betrekking op de aansprakelijkheid van de aannemer en hoe dit onder de nieuwe wet uitwerkt. Met name het CDA verzoekt de minister om aanvullende uitleg op een aantal punten, met name daar waar het de (beperking van) aansprakelijkheid van andere bij ontwerp en bouw betroffen partijen betreft. Het CDA vraagt tevens om bevestiging van minister Ollongren dat de toelichting in de brief van vorig jaar zomer leidend is – en niet de toelichting op de amendementen – en dat deze ook terug zal komen in de toelichting op de onderliggende wetgeving.

Interessante vragen zijn verder de vraag of er niet ook proefprojecten in de gevolgklassen 2 en 3 moeten worden uitgevoerd (CDA) en hoe de resultaten van de proefprojecten nu verwerkt worden in de wetgeving (D66). De PVV en Groen Links vragen zich verder af of de criteria voor invoering, zoals genoemd in het bestuursakkoord, niet verder geconcretiseerd kunnen worden. De PvdA verzoekt de minister verder meer inzicht te geven in de criteria en de gegevens en bescheiden die gemeenten ter beschikking krijgen om te kunnen beoordelen dat aan de voorschriften is voldaan. In het verlengde daarvan vraagt de PvdA zich, evenals Groen Links, af in hoeverre het vorig jaar ter voorhang aangeboden conceptbesluit nog zal moeten worden aangepast.

De Eerste Kamer lijkt zich de vragen lezende verder af te vragen in hoeverre de planning – 1 januari 2021 – wel haalbaar is. Een terechte vraag. Zolang de Eerste Kamer de knoop echter niet doorhakt zullen partijen niet snel in beweging komen. En daarmee is het antwoord op de vraag of er niet eerst proefprojecten gedraaid moeten worden en dan pas gestemd over de wet eigenlijk an beantwoord…

 

Geen ‘draai’ maar steun van AFNL voor de Wkb

Het bestuur en de leden van Aannemersfederatie Nederland Bouw en Infra (AFNL) hebben zich tijdens een Ledenvergadering uitgesproken voor invoering van de Wet Kwaliteitsborging Bouwen en liefst op de korte termijn.

Met een ingezonden brief reageert AFNL op de verwarring die is ontstaan door de berichtgeving in Cobouw over de Wet kwaliteitsborging en het standpunt daarin van AFNL. In tegenstelling tot de ‘draai’ die de AFNL volgens Cobouw zou hebben gemaakt, staat de AFNL – hoewel de wet niet perfect is – achter het Wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het Bouwen:

“De AFNL staat achter de uitgangspunten van de Wkb: het biedt de bonafide bouwbedrijven, die staan voor bouwkwaliteit, een kans om zich te onderscheiden. Het vakmanschap waar de leden van de bij de AFNL aangesloten verenigingen voor staan krijgt op die manier de waardering die het verdient. Voor de (aangescherpte) aansprakelijkheid lopen die bedrijven dan ook niet weg. De Wkb zal op die manier bijdragen aan de bouwkwaliteit en verbetering van het imago van de bouw.”

De volledige brief is hier te lezen: Ingezonden brief Wkb voor Cobouw 25 feb 2019.

Kwaliteitsborging volgens Woningborg Toetsing en Toezicht

De WKB: vragen, vragen, vragen

In de Cobouw van 22 januari 2019 is een interview met prof. Richard Neerhof opgenomen met de kop: “Hoogleraar VU Amsterdam: ‘Wet kwaliteitsborging rijp voor sloop’”. Op 24 januari volgde een artikel met als titel:  “Bouwadvocaten kraken Bouwwet: ‘aannemers te makkelijk doelwit’. En op 29 januari verscheen een artikel, waarin prof. Stephanie van Gulijk (UT)( nogmaals) aan het woord kwam: “‘Waar is architect in Wet kwaliteitsborging?’”.  In deze bijdrage (eerder verschenen in Actualiteiten Bouwrecht) een reactie van prof. mr. dr. M.A.B. Chao-Duivis.

De kwartiermakers voor de wet reageerden op 28 januari 2019 met een blog op de website van de Cobouw: ‘Professor Neerhof wil de private kwaliteitsborgers inclusief instrumenten en toelatingsorganisatie uit de wet schrappen en lijkt er niets voor in de plaats te willen: gewoon doorgaan op de oude voet dus? En de bouw het gewoon zelf laten uitzoeken? De voorgeschiedenis is blijkbaar aan hem voorbijgegaan: kritische rapporten van de toenmalige VROM-inspectie (rond 2000) over de kwaliteit in de bouw, capaciteitsgebrek bij gemeenten – zeker vanaf de recessie in 2008 – en de roep om verandering, ook vanuit BWT zelf.’.

Dit alles was voorafgegaan door het schrijven van de Minister van BZK en de VNG d.d. 17 januari 2019 houdende Bestuursakkoord implementatie en invoering wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen. Daarin staat o.a.: ‘Het bouw- en woningtoezicht is een wettelijke taak: publiek toezicht is onmisbaar. (…….) De vergunninghouder legt dus inhoudelijk verantwoording af aan het bevoegd gezag door middel van de risicobeoordeling en het dossier bevoegd gezag. (……….) De risicobeoordeling kan door het bevoegd gezag worden gebruikt om zijn handhavende taak van waarnemen, beoordelen en interveniëren vooraf inhoud en richting te geven. De risicobeoordeling biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om invulling te geven aan zijn preventieve rol om als bevoegd gezag de repressieve rol uit te kunnen oefenen. In het kader van de handhavende taak kan het bevoegd gezag, indien daartoe in het specifieke geval aanleiding wordt gezien, tijdens de bouw informatiemomenten en stopmomenten aan de vergunninghouder opleggen.’. Over de voorgestelde regeling van de aansprakelijkheid na oplevering (art. 7:758 toegevoegde lid 4 BW) wordt niets gezegd.

De Eerste Kamer heeft in de vergadering van 29 januari 2019 besloten de gedachtevorming voort te zetten; tot 19 februari 2019, zie het bericht ‘Inbreng voor schriftelijk overleg over alle correspondentie over en ontwikkelingen rondom het wetsvoorstel wordt geleverd op 19 februari 2019’ in Korte aantekeningen vergadering commissie Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) van 29 januari 2019. De agenda voor de vergadering van 29 januari 2019 ging gepaard met een lange lijst van meegezonden documenten: van de Minister, maar ook wederom van veel van de partijen die zich in de loop van dit wetgevingstraject al zo vaak lieten horen.

Er is en wordt veel gezegd in dit wetgevingstraject, dat mij verbaast en blijft verbazen. Het is een politiek verhaal geworden. De houdbaarheid/logische onderbouwing van redeneringen en standpunten wordt vaak node gemist. Ook het ingaan op argumenten, die in de literatuur zijn geuit en waarschuwingen bevatten voor de ingeslagen weg, laat te wensen over.

Wat betreft de figuur van de kwaliteitsborger en alles wat daarom heen opgetuigd gaat worden, wijs ik op de stukken van Eric Moesker in Actualiteiten Bouwrecht, 28 april 2016 , die o.a. sprak van ‘systeemcollisie’ . Peter de Haan merkt in TBR 2016/79op:

‘Tot slot rest de vraag of het wetsvoorstel Wkb leidt tot een betere toetsing aan en handhaving van het Bouwbesluit 2012 in verhouding tot het geldende stelsel. Nu het erom gaat dat het gerealiseerde bouwwerk aan het Bouwbesluit voldoet, vind ik het een verbetering dat in het nieuwe stelsel een repressieve toetsing van het gerealiseerde bouwwerk plaatsvindt. Als de gemeentelijke afdelingen bouw- en woningtoezicht (en omgevingsdiensten die bouwtoezicht uitvoeren) onvoldoende capaciteit en/of technische kennis hebben om die repressieve toetsing te doen en geen financiële middelen om dit te verbeteren, dan is de keuze van een repressieve toetsing door een private borger begrijpelijk.(cursivering MC) Wat betreft de bevoegdheid om te handhaven als een bouwwerk niet aan het Bouwbesluit voldoet, treedt geen verbetering op nu die bevoegdheid (vooralsnog) in het wetsvoorstel Wkb niet wijzigt. Zonder wijzigingen in artikel 1b, eerste en vierde lid, Ww in het wetsvoorstel Wkb verwacht ik desalniettemin een verbetering wat betreft handhaving.’.

Het gecursiveerde vertoont overeenstemming met waarop de kwartiermakers wijzen: capaciteitsgebrek bij gemeenten.

Is het logisch om de capaciteitsproblemen bij een overheidsdienst mede als argument te gebruiken om een onafhankelijk stelsel van overheidscontrole, dat tot de oudste taken van de overheid behoort, op afstand te zetten en de taken privaat te gaan beleggen? En als controle door een overheidsdienst niet goed werkt, ligt het dan niet voor de hand iets te doen aan de oplossing van dat probleem bij die dienst? Het denken over kwaliteitscontrole, over controle op naleving van wet- en regelgeving (i.c. het Bouwbesluit) is zeer ontwikkeld in de afgelopen 20 jaar: waarom zouden die lessen niet door overheidsdiensten belast met controle en handhaving kunnen/moeten worden toegepast?

Een paar woorden over de geschilbeslechting: ja die wordt ingewikkelder. Eric Moesker merkte in het tweeluik over de geschilbeslechting op: ‘Met name de keuze van de regering om in het nieuwe stelsel voor de gemeente toch een resterende, complementaire rol te zien maakt het kluwen van rechtsbetrekkingen, het karakter daarvan en de daaruit voortvloeiende potentiële geschillen, er niet eenvoudiger op.’ (TBR 2016/93). Zelf zette ik in mijn bijdrage aan het tweeluik, uiteen dat er meer potentiele geschillen zullen komen, want er ontstaan nieuwe relaties die in de plaats komen van waar er thans maar 1 relatie is (TBR 2016/92). Lost het Bestuursakkoord dat op? Nee, want dat aspect komt daar niet in terug.

Is het Bestuursakkoord een antwoord op de onduidelijke rol van het overheidstoezicht en de handhaving onder de nieuwe wet? Ik heb daar grote aarzelingen. Dit moet nog uitgewerkt worden en het zal niet eenvoudig om de problemen van de samenloop van controles en de onenigheid die daarmee onvermijdelijk gepaard zal gaan te beteugelen. Vooralsnog zie ik ook hier een extra relatie, die tot extra problemen zal leiden. Die samenloop is er in zekere zin nu ook bij discussies tussen BWT en een adviseur die een vergunningaanvrager/houder bijstaat, maar onder de nieuwe wet heeft de kwaliteitsborger wel een andere status.

Dan de aansprakelijkheidsregeling. In het rapport ‘Naar een andere verdeling van verantwoordelijkheid in de bouw’ uit 2013, is opgemerkt dat de consument (natuurlijke persoon niet handelende in bedrijf of beroep)‘een degelijke bescherming geniet’ (p. 123) dank zij het bestaan van de garantie- en waarborgregeling in combinatie met laagdrempelige arbitrage. Die degelijke bescherming staat de professionele opdrachtgever niet ten dienste en het is uitgerekend diens bescherming die in de voorgestelde wijzigingen van het wetsvoorstel onder druk staat. De argumenten heb ik reeds vaak besproken en n.m.m. weerlegd (in TBR en ook in het boek Vijftig weeffouten in het BW, Ars Aequi, 2017, p. 337 e.v.).

In die laatste publicatie schreef ik (p. 341/342, noten verwijderd omwille van de leesbaarheid) over de totstandkoming van de wet o.a.:
‘Het moet mij van het hart dat het niveau van het debat in de Tweede Kamer teleurstellend is geweest. Waar nog met veel plezier gebruik gemaakt kan worden van de parlementaire geschiedenis van het BW, ook wat betreft de eerst in 2003 ingevoerde Titel 7.12 (aanneming van werk), is dat met dit wetsvoorstel veel minder het geval. Zoals hiervoor aangegeven is men in de literatuur kritisch ten opzichte van de wet. Was dat nu alleen maar omdat men het er niet mee eens was, dan was dat geen probleem. Maar nee, de kritiek treft de formuleringen, de systematiek en de uitvoerbaarheid van de wet. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de Aanwijzingen voor de regelgeving bij het wetgevingsproces niet erg in beeld zijn geweest. Dit geldt voor de teksten afkomstig van de minister, maar ook voor die van de Kamerleden, al gelden de Aanwijzingen formeel niet voor de Tweede Kamer. Amendementen zijn ingediend voorzien van toelichtingen die op die amendementen geen toelichting zijn en bovendien inhoudelijk onjuist zijn.  In hun artikel ‘Plangever moet zijn werkvoorbereider serieus nemen’, constateren de auteurs dat de (gemeente)raad zich moet houden aan de voor bestuursorganen geldende rechtsregels, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit brengt onder meer mee dat bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen wordt vergaard en dat het tot een zorgvuldige en kenbare belangenafweging moet komen. Het parlement is weliswaar geen bestuursorgaan, zoals de gemeenteraad dat wel is, maar het serieus nemen van het formuleren van amendementen is toch eigenlijk iets dat vanzelfsprekend zou moeten zijn. Wat we hier langs hebben zien komen, getuigt daar lang niet altijd van.’.

Ik voeg daar nu nog het volgende aan toe. De wijze, waarop deze wet tot stand komt, geeft mij het gevoel van de rijdende trein: spreekwoordelijk niet meer te stoppen, zoals ook grote projecten soms tot stand komen. Het wetgevingsproces overziend dringt zich het interview gepubliceerd in de NRC van 17 december 2018 met Senaatsvoorzitter Ankie Broekers-Knol op. De voorzitter af een kijkje in de keuken van de motieven die bij het aanvaarden van wetgeving een rol spelen. Op de vraag ‘Bij een slecht doordachte stelselwijziging met grote gevolgen stemt de senaat veel minder snel tegen.’, werd geantwoord: ‘Ja, dan is er uitvoerig over onderhandeld in de coalitie. Zeg je dan nee, dan komt een proces waar soms al jaren aan is gewerkt enorm in de knoop. (…….)’.

Steeds weer worden dezelfde waarschuwingen geuit (mijn verhaal is absoluut niet volledig, ik doe vele auteurs tekort, noem hier expliciet Evelien Bruggeman, IBR, en Hans Nijsse, TU Delft, TBR 2018/182) en steeds weer wordt daaraan voorbij gegaan of worden ze niet adequaat en overtuigend weerlegd. En het proces gaat maar door. Het is het primaat van de politiek om te komen met een stelselwijziging, maar dat primaat ontslaat de wetgever er niet van om dat op een deugdelijke manier te doen. Dat betekent m.i. goed onderbouwd, logisch kloppend,  en waarbij de rol van niet ambtenaren en niet leden van het parlement passend en beperkt is. Het huidig tijdsgewricht is niet meer wat het was toen met dit voorstel begonnen werd (2008). Op verschillende terreinen is het besef doorgedrongen, dat de taken van de overheid niet eindeloos overgedragen kunnen worden aan de markt en dat wat die markt te bieden heeft ook niet altijd alleen maar rozengeur en maneschijn is. Past het wetsvoorstel wel in een aan zekerheid behoefte hebbende maatschappij?

Monika Chao-Duivis, directeur Instituut voor Bouwrecht en hoogleraar bouwrecht TU Delft

 

 

De Wet kwaliteitsborging “rijp voor vaststelling”

Deze blog is gepubliceerd op de site van Cobouw op maandag 28 januari 2019.

Op de dag (22-1-19) dat de Eerste Kamer na een pauze van ruim anderhalf jaar de behandeling van het wetsvoorstel kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) zou hervatten, liet een aantal partijen in Cobouw hun licht schijnen over deze wet. Hoewel de meesten van hen overwegend positief zijn, krijgt “Rijp voor de sloop” bij monde van professor Neerhof in het bericht en in de kop de meeste aandacht. Naar de mening van iBK opmerkelijk. Neerhof lijkt de maatschappelijke en politieke discussie de afgelopen decennia gemist te hebben.

De ontwikkeling, die heeft geleid tot deze wet, begon eind vorige eeuw en kwam in een stroomversnelling toen het kabinet Rutte I het advies van de Commissie Dekker uit 2008 overnam. Eind 2011 schetste CDA-minister Donner de contouren van wat nu de Wkb is. Belangrijkste toevoeging nadien is de koppeling tussen aansprakelijkheid en kwaliteitsborging onder minister Stef Blok (VVD) in het kabinet Rutte II met de PvdA aan boord.

Professor Neerhof wil de private kwaliteitsborgers inclusief instrumenten en toelatingsorganisatie uit de wet schrappen en lijkt er niets voor in de plaats te willen: gewoon doorgaan op de oude voet dus? En de bouw het gewoon zelf laten uitzoeken? De voorgeschiedenis is blijkbaar aan hem voorbijgegaan: kritische rapporten van de toenmalige VROM-inspectie (rond 2000) over de kwaliteit in de bouw, capaciteitsgebrek bij gemeenten – zeker vanaf de recessie in 2008 – en de roep om verandering, ook vanuit BWT zelf.

Bouwtoezichthouders willen in het algemeen graag hun werk graag goed doen, maar de politieke realiteit is dat deze taak dikwijls wordt ondergewaardeerd. Niet zelden zien bouwers en gemeentebestuurders de uitvoering van de VTH-taken eerder als hindermacht dan als noodzakelijke kwaliteitsborging. Daarom is het van groot belang om het politieke momentum van het op 17 januari jl. ondertekende bestuursakkoord tussen Binnenlandse Zaken en Vereniging Nederlandse Gemeenten aan te grijpen om een echte stap voorwaarts te zetten.

Het eindresultaat van het proces van de afgelopen jaren vertoont weliswaar kenmerken van een compromis, maar dat is in onze polderdemocratie eerder regel dan uitzondering. Als je om die reden de Wkb afwijst, leef je kennelijk in een andere wereld: buiten de zijlijn van zowel de bouwsector als de politiek. De Wkb zal niet automatisch leiden tot de beoogde heldere rolverdeling tussen private en publieke partijen, maar biedt daartoe wel de mogelijkheden. Het bestuursakkoord verschaft de bouwwereld, het rijk en de gemeenten de nodige handvatten om er een succes van te maken.

De Wkb laat de handhavingstaak terecht bij de gemeente. Het bestuursakkoord leidt ertoe, dat deze de informatiepositie krijgt, die noodzakelijk is om deze taak effectief te kunnen uitvoeren. Dat vergt enkele cruciale aanpassingen van het ontwerpbesluit Kwaliteitsborging voor het bouwen. Die aanpassingen zullen worden uitgewerkt in samenspraak met de VNG en andere organisaties zoals de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland.

Langer wachten met vaststellen van de wet is naar onze mening riskant. Zowel aan private als publieke kant staat de capaciteit zwaar onder druk. Zolang de knoop niet wordt doorgehakt blijven de nodige investeringen in kennis en kunde achterwege. En dat terwijl de bouw aan zet is voor de enorme transitieagenda. In deze opgave zijn waarin daadwerkelijk energiezuinig, duurzaam en gezond bouwen de speerpunten. De huidige werkwijze, waarin de nadruk ligt op de vergunning in plaats van op het gebruiksgerede bouwwerk, past daar niet bij.

In het werk van de kwaliteitsborger ligt de nadruk juist op de feitelijke realisatie van het eindresultaat. Of hij zijn werk doet zoals het hoort wordt door zowel publieke als private partijen in de gaten gehouden. De Wkb voorziet in sancties om de kwaliteitsborger zo nodig zelf aan te pakken en om het gebruik van bouwwerken die niet aan de eisen voldoen te verbieden. Kortom: alle checks & balances om de bouwkwaliteit echt op peil te brengen.Het bestuursakkoord heeft alle elementen in zich om aan de slag te gaan en te gaan wennen aan de nieuwe afspraken.

De nieuwe gemeentelijke rol is redelijk vergelijkbaar met die van de verkeerspolitie naast het APK-stelsel: private partijen doen hun werk, maar als dat niet deugt grijpt het bevoegd gezag in. Dat dit in het begin wennen zal zijn en wellicht ook af en toe tot juridische geschillen zal leiden is voorspelbaar. Als die geschillen helpen om qua regelgeving en rolverdeling de puntjes op de i te zetten heeft ieder daar baat bij.

Daags na het interview met Neerhof stelt ook een tweetal bouwjuristen kritische vragen, vooral als het gaat om de aansprakelijkheid van de aannemer. Het antwoord op deze vragen is naar onze mening in de wet zelf te vinden. Het mag zo zijn dat nu nog niet duidelijk is hoe dit in de praktijk gaat uitpakken, maar dat geldt voor meer wetten. Waar een wil is een weg. De beste manier om weg te blijven van het soort procedures en claims waar beide juristen op wijzen is een bouwwereld die de kwaliteit levert die tenminste aan bovengenoemde ondergrens voldoet: het Bouwbesluit.

Deze wet biedt de bouwsector kansen om het eigen blazoen op te poetsen. Wij zijn niet zo naïef dat we denken dat dat vanzelf goed gaat komen zonder missers of bouwers die de kantjes eraf lopen. Maar dat de bouwsector gesteund door juristen vooral afwijzend reageert is niet te rijmen met borstklopperij over de eigen prestaties. Als bouwers zorgen dat hun prestaties aantoonbaar op orde zijn, heeft de kwaliteitsborger en vervolgens de gemeente daar een ‘makkie’ aan en krijgt de klant waar voor zijn geld.

Harry Nieman, Hajé van Egmond, Gert-Jan van Leeuwen
Instituut voor Bouwkwaliteit

Infographic Kwaliteitsborging

Deze infographic toont de rol van de gemeente en de onafhankelijke en gecertificeerde kwaliteitscontroleur voor, tijdens en bij oplevering van een bouwproject. (BRON: Rijksoverheid)

1. Kwaliteitscontrole direct bij bouwplan

  • De kwaliteitscontroleur checkt het bouwplan op technische eisen.
  • De gemeente verleent vergunning voor de bouw.
  • De kwaliteitscontroleur checkt het bouwplan op technische eisen.

2. Kwaliteitscontrole bij start bouw

  • De kwaliteitscontroleur checkt de bewapening en het storten van de fundering.
  • Aannemer is verantwoordelijk.

3. Kwaliteitscontrole tijdens de bouw

  • De kwaliteitscontroleur checkt onder andere:
  • Constructie muren;
  • Ventilatie;
  • Constructie balkon;
  • Energie zuinig;
  • Isolatie;
  • Constructie vloeren.

4. Oplevering: dossier naar gemeente

  • Alles OK!
  • De kwaliteitscontroleur draagt het dossier over aan de gemeente.
  • Gemeente stemt in met ingebruikname.

Eerste Kamercommissie bespreekt Wkb op 22 januari 2019 –> 29 januari –> 19 februari –> 5 maart

UPDATE: De Commissie heeft  de opties voor behandeling van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen besproken op 29 januari. De nieuwe agenda en het resultaat is hier te lezen. De Commissie besluit om nog een schriftelijke ronde te houden: "Inbreng voor schriftelijk overleg over alle correspondentie over en ontwikkelingen rondom het wetsvoorstel wordt geleverd op 19 februari 2019"

Op 19 februari heeft de Eerste Kamer besloten het schriftelijk overleg - het indiening van vragen bij minister BZK - uit te stellen tot 5 maart 2019. Dit vanwege het agenderen van het Bestuursakkoord voor het Algemeen overleg in de Tweede Kamer op 20 februari 2019. De vragen die de commissie gesteld heeft aan minister Ollongren zijn via deze link te lezen.

Volgend op het Bestuursakkoord dat BZK en VNG op 17 januari 2019 hebben getekend, besprak de commissie Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) van de Eerste Kamer op dinsdag 29 januari 2019  de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen.

Op de agenda stonden, naast het Bestuursakkoord en de meest recente brieven van de minister van BZK, een tiental brieven van voor- en tegenstanders van de Wkb en stukken van het laatste Tweede Kamerdebat. Een overzicht van alle stukken is hieronder opgenomen.

De Commissie heeft besloten om 3 weken de tijd te nemen voor een nieuwe schriftelijke ronde.

Recente brieven aan Eerste Kamer:

Al in dossier Eerste Kamer: